Astrid keek machteloos toe.
Ze zag Orc niet meer. Hij was misschien al dood daarbeneden.
Jack leek zichzelf niet uit Drakes wurggreep te kunnen bevrijden. En dat wist Drake. Hij keek op naar Astrid en gaf haar een knipoog.
Ze had het besluit genomen om Kleine Pete geen pijn te doen, om hem te laten leven, ook als dat betekende dat anderen zouden sterven.
De juiste, morele beslissing.
Maar nog een minuut en Jack zou gestikt zijn. En dan zou Drake haar grijpen. Ze maakte zich geen illusies over wat de psychopaat van plan was.
Drake en zijn leger zouden moorden en blijven moorden. En wat kon hen tegenhouden? Wie kon hen tegenhouden?
Ze merkte dat ze bijna geen lucht meer kreeg.
Haar hele lijf leek te gonzen door een vreemde energie. Was het angst? Was dit hoe paniek voelde?
Jacks gezicht werd paars. Hij stribbelde nog maar zwakjes tegen. Zijn vingers klauwden krachteloos. Zijn ogen puilden uit alsof ze elk moment uit zijn hoofd konden springen.
Drake zou haar vermoorden. Maar niet snel.
En hij zou nog veel en veel meer mensen vermoorden, zolang als de fakz zou blijven bestaan.
Genoeg. Het moest ophouden. Het moest allemaal ophouden.
Astrid liep naar Kleine Pete. Ze tilde hem op. Ze ging terug naar het raam en bleef daar staan, aarzelend, met zijn slappe, zwetende lijfje in haar armen.
Drake zag haar. Hij trok wit weg.
Zijn tentakel verslapte rond Jacks keel.
‘Nee!’ riep Drake. Hij wikkelde zijn pythonarm los en rende naar haar toe terwijl hij ‘Nee! Nee!’ gilde.
‘Sorry,’ fluisterde Astrid. ‘Het spijt me zo, Petey.’
Drake was bij de deur van de kamer. ‘Nee!’ riep hij weer terwijl ze haar broertje naar de insectenzee smeet.
‘Pak hem!’ schreeuwde Drake.
Hij duwde Astrid opzij bij het raam terwijl Kleine Pete naar beneden viel.
‘Raak hem niet…’ schreeuwde Drake, maar hij kon zijn zin niet afmaken door een zachte, maar goed gemikte stomp van Astrid.
Kleine Pete was bijna bij de grond. Een paar centimeter boven het grind bleef hij hangen.
Zijn ogen gingen wijd open. Hij staarde in tientallen griezelige blauwe ogen.
‘Raak hem niet aan!’ gilde Drake. ‘De Duisternis heeft hem nodig!’
Maar het was al te laat. De insecten renden op Kleine Pete af. Hun tongen flitsten. Hun bekken knarsten.
Er was geen knal.
Geen lichtflits.
De insecten verdwenen gewoon.
Hupsakee. Weg.
Kleine Pete zakte naar de grond. Hij hoestte één keer, ongelooflijk hevig. En toen was ook hij simpelweg verdwenen.
Astrid en Drake stonden naast elkaar en keken vol afschuw naar beneden.
Astrid deed haar ogen dicht. Was het voorbij? Was het eindelijk voorbij?
‘Ik vermoord je,’ zei Drake, maar zijn stem stierf weg.
Astrid deed haar ogen open en zag dat zijn gezicht al veranderde en van de harde haaientrekken naar een zachter, ronder gelaat smolt.
Jack stormde de trap op.
Orc lag op zijn rug met nog maar één been en kreunde van pijn.
‘Waar is hij?’ vroeg Brittney. ‘Waar is Nemesis?’
Astrid hoorde haar nauwelijks.
Ze had het gedaan. Ze had hem vermoord. Ze had Kleine Pete geofferd.
‘We moeten hier weg, voor Drake terugkomt,’ zei Jack. Hij pakte Astrid bij de arm. Maar ze wilde niet meekomen. Nog niet.
‘Je hebt hem vermoord,’ zei Brittney. Ze zei het eerder verwonderd dan beschuldigend.
Astrid slaakte een bibberige zucht. De tranen stroomden over haar wangen. Ze kon niets uitbrengen.
Brittney begon boos te worden. ‘Hij zal je hiervoor straffen, Astrid. Zijn razernij zal je te pakken krijgen. Vroeg of laat.’
‘Drake of de gaiaphage?’ vroeg Jack.
Brittney ontblootte haar beugel in een dierlijke grijns. ‘Wij zijn de arm van de Duisternis. Hij zal ons sturen om jullie te halen. Jullie allebei.’
‘We gaan, Astrid,’ zei Jack zonder zijn blik van Brittney af te wenden. Astrid voelde zijn sterke hand op haar arm en gaf zich gewonnen.
Ze werd verblind door tranen en haar hoofd was een grote wervelwind van emoties: zelfhaat, walging, woede.
En het ergste van allemaal: opluchting.
Hij was weg. Kleine Pete was dood. En nu zou het eindelijk voorbij zijn. De fakz-muur zou verdwenen zijn. De gekte was afgelopen.
Opluchting. En het misselijkmakende besef dat ze blij was dat ze het had gedaan.
Jack leidde haar de trap af. Hij tilde de afschuwelijk verwonde, verminkte Orc zonder moeite op. Orc kreunde van pijn en huilde dat ze hem moesten achterlaten zodat hij dood kon gaan.
‘Er gaat hier niemand dood,’ zei Jack ruw. ‘Dat hebben we nu wel genoeg gezien.’
Astrid liep gehoorzaam achter Jack aan terwijl hij Orc heuvelafwaarts naar de stad droeg.
En onder het lopen vroeg ze zich af hoe het kon dat de fakz voorbij was en Jack toch nog steeds zo sterk was.
Dahra Baidoo kwam voor het eerst in wat voelde als dagen het ziekenhuis uit.
Virtue ondersteunde haar, hoewel hij zo trilde dat hij zelf nauwelijks overeind kon blijven.
Ze zaten allebei van top tot teen onder de viezigheid. Het ziekenhuis was een slachthuis. Het ene beest dat naar binnen had weten te dringen had simpelweg alle kinderen uitgemoord die te ziek waren om op hun benen te staan, laat staan om weg te rennen.
Virtue hield zichzelf voor dat de meesten van die kinderen toch zo ziek waren dat ze niet lang meer te leven hadden. Maar dat besef kon de afschuwelijke beelden nooit meer uit zijn geheugen wissen.
Hij had ingeklemd gezeten in een hoekje achter een bed, biddend en sidderend, smekend dat hij gespaard zou worden. Hij had dingen naar het beest gesmeten, maar po’s en flessen deden het monster niets.
En toen, zomaar ineens, was het beest verdwenen.
Zijn bloederige kaken hadden langs de muur geschraapt in een poging Virtue uit zijn schuilplaats te verjagen. Hij was centimeters, milliseconden bij een gruwelijke dood vandaan geweest.
En toen… niets.
Weg.
Virtue had alleen nog het geluid van zijn eigen gesnik gehoord.
En toen de geluiden van de anderen die huilden.
En een doordringend, waanzinnig en wanhopig gekrijs.
Dahra gilde toen hij haar voorzichtig onder een lijk vandaan trok.
‘Hij is weg,’ had hij gezegd.
Ze kon niet ophouden met trillen. Kon niet ophouden met schreeuwen. En plotseling was Virtue terug in dat vluchtelingenkamp in Congo en zag hij de dingen weer voor zich waar hij getuige van was geweest toen hij nog te jong was om ze te begrijpen.
Er laaide een verschrikkelijke woede in hem op. Een oncontroleerbare razernij jegens alles en iedereen die de wereld tot een hel vol angst en pijn en verlies maakte.
Hij wilde dingen kapotgooien. Hij wilde brullen als een wild dier.
Maar Dahra was opgehouden met schreeuwen en keek alleen nog maar naar hem op; ze had iemand nodig, iemand die eindelijk voor háár zorgde.
Virtue pakte haar hand en legde zijn arm om haar schouder. ‘Kom, ik breng je naar buiten,’ zei hij zachtjes.
Sommige kinderen gilden het uit van de pijn. Maar Virtue wist dat Dahra niet meer kon reageren. En dus bracht hij haar naar buiten, de koele, frisse lucht in.
De lichamen van de insecten waren allemaal verdwenen. De lichamen van degenen die ze gedood hadden niet.
Virtue wist niet waar hij Dahra heen moest brengen. Zij was immers degene naar wie de kinderen altijd andere kinderen brachten. Hij kende niemand die haar kon helpen. Misschien kon niemand haar helpen.
Hij bracht Dahra naar de verwoeste kerk. Binnen was het stil, hoewel ook hier gevochten was. Hij maakte een plekje voor haar vrij op een bank. Hij zette haar neer, ging naast haar zitten, zo moe, deed zijn ogen dicht, en bad.
‘God in de hemel, kijk omlaag en heb meelij met dit meisje. Ze heeft genoeg gedaan.’ Hij zuchtte en voegde er een weifelend ‘Amen’ aan toe.
Virtue bleef niet lang. Er waren nog steeds kinderen die hulp nodig hadden.
Hij kwam zijn broer tegen, die ook op weg was naar het ziekenhuis. Sanjit omhelsde hem stevig en zei: ‘Ze zijn weg, Choo. Ze zijn allemaal weg.’
Virtue knikte en gaf Sanjit een geruststellend klopje op zijn rug.
Sanjit hield hem van zich af en keek naar Virtues gezicht. ‘Gaat het, broer?’
‘Ik heb wel eens betere dagen gehad,’ zei Virtue.
‘Tja, het eiland klinkt nu opeens nog aanlokkelijker, hè?’ vroeg Sanjit. ‘Je had gelijk, het is één groot openluchtgesticht.’
Virtue knikte ernstig en keek achterom naar de kerk. ‘Ja, maar er zitten ook een paar engelen tussen de gekken.’
Caine liep stijf terug naar de stad. Hij was verbrand, ontveld, doorboord en gekneusd, en hij had het gevoel dat hij misschien ook wel een paar ribben had gebroken.
Maar hij had gewonnen.
Het enige minpunt – afgezien van de diverse verwondingen die hem bij elke stap in elkaar lieten krimpen van de pijn – was dat hij het niet alleen had gedaan. Brianna had de voorzet gegeven. Hij kon haar niet uitstaan, maar man, wat kon dat kind goed vechten.
En een of andere onzichtbare, niet te bevatten kracht had ervoor gezorgd dat de insecten die ze even daarvoor samen hadden gedood, waren verdwenen. Zelfs hun afgebroken poten, sappen en ingewanden waren weg. Alsof ze van de aardbodem waren weggevaagd.
Brianna was weggezoefd en liet hem in zijn eentje verder strompelen. Ze stond ongetwijfeld al op te scheppen en alle eer naar zich toe te trekken.
Maar dat zou haar niet lukken. Nee, iedereen had gezien hoe hij het gevaar tegemoet was getreden. En nu was het gevaar weg, precies zoals hij had beloofd. Hij had gedaan wat hij had gezegd. Hij had zijn positie verdiend.
Net toen hij de snelweg overstak richting de stad kwamen de eerste kinderen naar hem toe gerend, dankbaar, uitgelaten; ze wilden hem een high five geven.
‘Het is je gelukt, man! Het is je gelukt!’
Hij negeerde hun opgestoken handpalmen en bleef heel stil staan; hij keek ze alleen maar aan en wachtte.
Ze leken onzeker, een beetje ongerust. En toen viel het kwartje.
De eerste boog zijn hoofd. Het was een krampachtig, onbeholpen gebaar, maar dat vond Caine niet erg; ze zouden het nog wel leren.
Ook de tweede jongen, en een derde en een vierde die er haastig bij kwamen staan, bogen hun hoofd voor Caine. Hij knikte ze plechtig toe en liep verder, en zijn lijf deed opeens een stuk minder pijn.
De volgende ochtend
Sam kon de stad en de kinderen daar niet onder ogen komen. Als hij nu de stad in ging zou het misschien op een gevecht met Caine uitdraaien. Hij kon nu geen gevecht aan. Later. Nu niet. Nog niet.
Hij had gezien hoe de insecten ineens allemaal verdwenen waren. Het ene moment hadden de beesten die in Dekka waren uitgekomen nog in het water gedreven en het volgende moment waren ze weg.
Hij had een vermoeden van wat er was gebeurd. Er was maar één kracht die sterk genoeg was om ervoor te zorgen dat de beesten ophielden te bestaan.
Het was Jack blijkbaar tegen alle verwachtingen in gelukt om Kleine Pete voor de insecten te gooien. Alleen Petey kon dit gedaan hebben. Sams wanhopige, krankzinnige plan had gewerkt, had zowaar gewerkt.
Maar als Astrid erachter kwam dat hij degene was die Jack hier opdracht toe gegeven had, zou ze nooit meer met hem willen praten.
De stad was gered. Maar Sam was verloren.
U gaf opdracht tot de moord op een autistisch jongetje van vijf, meneer Temple?
Het beschuldigende tribunaal was terug.
Dat klopt, antwoordde hij in gedachten. Dat heb ik inderdaad gedaan.
Hij liep door tot hij merkte dat hij op de klif stond. De laatste keer dat hij hier was geweest… Nou, Taylor betasten leek opeens helemaal niet zo’n grote zonde meer.
Dat klopt. En omdat ik dat heb gedaan zijn de insecten vernietigd. En levens gered.
Het is niet aan u om die beslissingen te nemen, meneer Temple. God beslist over leven en dood.
‘O ja?’ vroeg Sam hardop. ‘Nou, ik kan niet zoveel met Zijn beslissingen.’
Hij staarde uit over de zee. Hij stond op precies dezelfde plek als waar Maria had gestaan toen ze was gesprongen. Maar hij voelde niet de aandrang om haar achterna te gaan. Maria was tot waanzin gedreven.
‘Dat klopt,’ zei Sam tegen niemand. ‘Ik heb het gedaan. En het heeft gewerkt.’
‘Sam.’
Hij draaide zich als door een wesp gestoken om. Daar was Astrid. Jack stond dertig meter verderop en maakte geen aanstalten dichterbij te komen.
‘Astrid.’
Haar ogen waren rood en gezwollen. Ze keek langs hem heen, staarde naar de muur met een uitdrukking die hij niet kon peilen.
‘Hij is er nog,’ zei ze.
Hij keek even naar de ondoordringbare muur. ‘Ja.’
‘Maar… maar Petey is dood,’ zei ze. ‘Het zou afgelopen moeten zijn. Hij zou weg moeten zijn. Het zou allemaal voorbij moeten zijn.’
‘Ik vind het heel erg van Kleine Pete.’
‘Hij is er nog.’
‘Ik denk…’ begon hij.
‘Voor niets! Ik heb hem voor niets vermoord,’ huilde Astrid. ‘O God, nee! Ik heb het voor niets gedaan!’
‘Jij? Jij hebt hem niet…’ Maar toen zag hij de blik in Jacks ogen. Jack knikte en keek toen naar de grond.
Sam liep automatisch naar Astrid toe en wilde zijn armen om haar heen slaan. Maar iets weerhield hem ervan. Hij wist dat ze het niet zou toelaten.
En opeens besefte hij iets wat insloeg als een bom: ze kon niet bij hem zijn als ze zich zwak voelde of de situatie niet onder controle had. Astrid moest sterk zijn. Ze moest… Astrid zijn.
En nu? Nu was ze dat niet. Hij had haar nog nooit zo ontredderd gezien. Hij zou haar dolgraag in zijn armen genomen hebben. Maar ze zou het niet toelaten. Niet zo.
‘Astrid…’
‘Voor niets,’ fluisterde ze.
Hij deed een stap achteruit. ‘Astrid, luister: ik heb tegen Jack gezegd dat hij het moest doen. Het was de enige oplossing. Als jij hem niet…’
Maar ze luisterde niet. Een blik vol pure haat, een blik die hij nooit bij haar voor mogelijk had gehouden, veranderde haar gezicht. Kwam het door hem? Door de muur?
Door haarzelf?
‘Ik ben weggegaan, wist je dat? Ik ben met Orc de stad uit gegaan. En toen heb ik Petey achtergelaten. Ik ben gewoon Coates uit gelopen. Ik heb hem in de steek gelaten. En Orc ook. Ze hadden me allebei nodig. Maar ik liep weg, want ik dacht: als ik blijf, word ik in de verleiding gebracht. Eén moord maar. Heb je dat ook wel eens, dat een zinnetje in je hoofd blijft hangen en eindeloos blijft malen?’
Hij gaf geen antwoord. Ze wilde niet dat hij antwoord gaf. Maar inderdaad, dat had hij ook wel eens.
‘Ik wist dat alles zou stoppen als ik Petey zou vermoorden,’ zei ze. ‘En weet je wat er toen gebeurde? Ik liep daar in het donker, gewoon in een heel grote cirkel. En ik heb het mezelf uit mijn hoofd gepraat. Ik heb het allemaal recht gepraat voor mezelf. Want ik ben namelijk heel erg slim.’
Daar lachte ze verbitterd om.
‘Wie is er slimmer dan ik? Astrid het Genie. Ik had het allemaal uitgedacht en had allemaal goede argumenten. En ik bad. En ik nam een goed, moreel besluit. En toen? Toen ik er was, en Drake zag… en ik over Drake nadacht… en bedacht hoe…’ Haar stem stokte.
‘Astrid, we hebben allemaal…’
‘Niet doen,’ zei ze. ‘Nee. Niet doen.’
‘Kom nou gewoon met mij mee,’ zei hij. Hij stak zijn armen naar haar uit, maar hij voelde een kille en ondoordringbare muur om haar heen. Ze was ergens anders. Ze was iemand anders. Zijn handen vielen weer langs zijn zij.
‘Wat zullen jullie me uitlachen om mijn arrogantie en mijn superioriteit,’ zei Astrid zacht. ‘Ik vraag me af hoe je het met me uithoudt. Heb je geen zin om “Zie je wel?” te zeggen, Sam? Hoe kun je dat níét zeggen? Als ik jou was, zou ik “Zie je nou wel?” zeggen. “Zie je nou wel, stomme, schijnheilige idioot? Welkom in Sams wereld. Nu weet je ook eens wat ik moet doen, welke beslissingen ik moet nemen.”’
Ja. Ergens wilde hij dat zeggen. Ergens wilde hij precies dat zeggen. Welkom in mijn wereld. Het valt niet mee om Sam te moeten zijn, hè? Hij probeerde het niet te laten zien, maar dat lukte kennelijk niet, want Astrid knikte alsof hij iets had gezegd.
Hij zei het enige wat hij kon bedenken. ‘Ik hou van je, Astrid. Wat er ook gebeurd is, ik hou van je.’
Maar als ze hem gehoord had liet ze dat niet merken. Astrid draaide zich om en liep weg.
Vijf dagen later
Het was heel lang geleden dat er zo veel kinderen op het plein hadden gestaan. Niet iedereen was gekomen, maar de meesten wel. Toen hij vanaf de trap van het stadhuis naar beneden keek, zag Sam dat sommige kinderen bang keken en andere vrolijk, en natuurlijk, zoals met elke groep kinderen, waren sommigen gewoon aan het spelen.
Het was goed, zei hij tegen zichzelf, dat ze nog in staat waren ergens vreugde uit te halen om zich aan vast te klampen.
De begraafplaats was enorm gegroeid. Maar de griep was eindelijk over zijn hoogtepunt heen. Er waren al achtenveertig uur geen nieuwe gevallen meer gemeld. Niemand vierde feest, niemand leunde achterover, maar de dodelijke griep leek uitgeraasd.
Hij wierp een blik op zijn broer. Caine keek heel zelfverzekerd, veel zelfverzekerder dan Sam zich voelde. Caine was helemaal in zijn element als zelfbenoemde koning, dacht Sam somber. Hij was perfect gekleed in een nette grijze broek en een marineblauw jasje over een lichtblauw overhemd. Hoe had hij dat voor elkaar gekregen?
De rest van zijn hofhouding zag er een stuk minder gelikt uit, maar in elk geval beter dan Sam en zijn mensen.
Diana, Penny, Turk en Taylor stonden allemaal achter Caine.
Sam was samen met Dekka, maar het was niet langer de altijd zo onverschrokken, ontzagwekkende Dekka die hij had gekend. Haar lichaam was zwak en nog niet hersteld, en haar geest was nog zwakker.
Brianna kon niet stil blijven staan en trilde op haar plek. Ze keek afwezig en boos en weigerde duidelijk oogcontact met Dekka te maken.
Jack had tot Sams verbazing de moeite genomen om zich netjes aan te kleden en was niet eens vergeten dat hij moest komen. Jack groeide, was al gegroeid, als mens.
Edilio zat in een tuinstoel. Hij zag er nog steeds uit alsof hij de dood in de ogen keek, maar hij hoefde niet meer te hoesten, de koorts was gezakt en hij was vastbesloten beter te worden.
De grootste afwezige was Astrid. Ze had er moeten zijn. Hij speurde de menigte af, maar niemand had haar gezien. De roddelaars zeiden dat ze in een klein appartement aan de rand van de stad was getrokken. Anderen zeiden dat ze haar over de snelweg richting het Stefano Rey-woud hadden zien lopen.
Sam had gehoopt dat ze vandaag zou komen opdagen voor de Grote Scheiding, zoals Howard de vreemde ceremonie had genoemd. Maar ze was in geen velden of wegen te bekennen. En Sams vrienden vermeden het angstvallig haar naam te noemen.
Toto stond ongemakkelijk tussen de twee kampen in, verlegen en nerveus.
‘Volgens mij is iedereen er,’ verkondigde Caine.
‘Dat gelooft hij niet,’ zei Toto.
Caine glimlachte toegeeflijk. ‘Volgens mij zullen er niet meer mensen komen dan de mensen die er nu zijn,’ verbeterde Caine zichzelf.
‘Waar,’ zei Toto.
‘Ja,’ zei Sam. Zijn mond was droog. Hij was zenuwachtig. Het zou hem niet moeten kunnen schelen. Dit zou er niet toe hoeven doen. Hij had nooit een leider willen zijn, laat staan een populaire.
Caine stak zijn hand omhoog ten teken dat het tijd werd dat iedereen zijn mond hield.
‘Jullie weten allemaal waarom we hier zijn,’ zei Caine met zijn welluidende, krachtige stem. ‘Sam en ik willen allebei vrede…’
‘Niet waar,’ zei Toto.
Caines ogen flikkerden boos, maar hij glimlachte geforceerd. ‘Toto, voor degenen die dat niet weten, is een freak met de gave om waarheid en leugens te onderscheiden.’
‘Waar,’ zei Toto.
‘Goed. Oké. Ik begin opnieuw,’ zei Caine. ‘Sam en ik mogen elkaar niet. Mijn mensen mogen zijn mensen niet, en zijn mensen denken hetzelfde over ons.’ Hij zweeg even en keek naar Toto.
Toto knikte en zei: ‘Dat gelooft hij.’
‘Ja, dat klopt,’ zei Caine droog. ‘We hebben verschillende ideeën over de toekomst. Sam wil iedereen naar dat meer van hem verhuizen. Ik wil hier in Perdido Beach blijven.’
De menigte was heel stil. Sam was tegelijk geïrriteerd en opgelucht dat Caine in zijn eentje het woord voerde.
‘Sam en ik hebben ook verschillende ideeën over leiderschap. Sam ervaart het als een last. Ik? Ik zie het als een mogelijkheid.’
‘Hij… hij gelooft dat,’ zei Toto. Maar hij fronste zijn wenkbrauwen – misschien voelde hij iets over Caine wat niet waar en niet gelogen was.
‘Vandaag kunnen jullie allemaal kiezen,’ zei Caine. ‘Je kunt met Sam mee, of je kunt hier blijven. Ik zal niemand tegenhouden, en ik zal het ook niemand kwalijk nemen.’ Hij legde zijn hand op zijn hart. ‘Voor degenen die willen blijven zal ik heel duidelijk zijn: ik word de baas. Niet als burgemeester, maar als koning. Mijn wil wordt wet. Ik heb het laatste woord.’
Dat zorgde voor een nogal mopperig geroezemoes.
‘Maar ik zal ook mijn uiterste best doen om jullie met rust te laten. Als Quinn besluit te blijven kan hij gewoon doorgaan met vissen. Als Albert besluit te blijven kan hij gewoon doorgaan met handeldrijven. Freaks en normalo’s zullen gelijk behandeld worden.’
Hij leek nog iets te willen zeggen, maar hield zich in na een zijdelingse blik op Toto.
De stilte duurde voort en Sam wist dat het zijn beurt was om iets te zeggen. In het verleden had hij bij dit soort dingen altijd Astrid naast zich gehad. Hij was niet zo’n goede redenaar. En hij had hoe dan ook niet zoveel te zeggen.
‘Iedereen die met mij meegaat mag meebeslissen over hoe we de boel gaan aanpakken. Ik denk dat ik zo’n beetje de leiding zal hebben, maar we zullen waarschijnlijk nog een stel mensen verkiezen, een soort raad instellen als… Nou ja, hopelijk een betere dan we eerst hadden. En, eh…’ Hij moest zelf bijna lachen om zijn eigen waardeloze optreden. ‘Hoor eens mensen, als jullie iemand willen… een koning nog wel, die je commandeert, dan moet je vooral hier blijven. Als jullie je eigen beslissingen willen nemen, nou, dan moet je met mij meegaan.’
Hij had zo weinig gezegd dat zelfs Toto geen commentaar had.
‘Jullie weten aan wiens kant ik sta, mensen,’ riep Brianna. ‘Sam heeft vanaf het allereerste begin de kar getrokken.’
‘Maar Caine heeft ons gered,’ schreeuwde iemand. ‘Waar was Sam?’
De menigte leek te aarzelen. Caine straalde zelfverzekerdheid uit, maar Sam zag dat hij zijn kaken op elkaar klemde, zijn glimlach eruit perste en dat hij zich zorgen maakte.
‘Wat gaat Albert doen?’ wilde een jongen die Jim heette weten. ‘Waar is Albert?’
Albert stapte naar voren vanuit een onopvallende plek aan de zijkant. Hij liep de trap op, nog steeds behoedzaam, nog steeds niet helemaal genezen.
Hij ging zorgvuldig precies tussen Caine en Sam in staan.
‘Wat moeten we doen, Albert?’ vroeg een klaaglijke stem.
Albert keek niet naar de menigte; hij wierp alleen even een snelle blik op het plein alsof hij zeker wilde weten dat hij de goede kant op stond. Hij begon op zachte, redelijke toon te praten. De kinderen dromden naar voren om hem te kunnen verstaan.
‘Ik ben een zakenman.’
‘Waar,’ zei Toto.
‘Ik zorg ervoor dat kinderen aan het werk gaan, verzamel de dingen die ze oogsten of vangen en distribueer die door ze te verhandelen.’
‘En de beste spullen hou je zelf,’ riep iemand, wat hem op een lachsalvo kwam te staan.
‘Ja,’ erkende Albert. ‘Ik beloon mijzelf voor het werk dat ik doe.’
Door het zo bot toe te geven stond de menigte opeens met zijn mond vol tanden.
‘Caine heeft beloofd dat hij zich er niet mee zal bemoeien als ik hier blijf. Maar ik vertrouw Caine niet.’
‘Nee, hij vertrouwt hem niet,’ bevestigde Toto.
‘Sam vertrouw ik wel. Maar…’
En nu kon je een speld horen vallen.
‘Maar… Sam is een slechte leider.’ Hij hield zijn ogen neergeslagen. ‘Sam kan fantastisch goed vechten. Hij heeft ons heel vaak verdedigd. En hij weet altijd als de beste hoe we moeten overleven. Maar Sam…’ Albert wendde zich nu rechtstreeks tot hem. ‘Je bent te bescheiden. Je staat niet genoeg op je strepen. Toen Astrid en de raad jou buitenspel zetten, liet je dat gebeuren. Ik heb daar zelf aan meegedaan. Maar je liet je door ons aan de kant schuiven en vervolgens bleek de raad niet te werken.’
Sam bleef stokstijf staan, met een onbewogen gezicht.
‘Laten we er geen doekjes om winden. Jij bent niet de echte reden waarom het hier beter gaat, dat ben ik. En als er gevochten wordt, ben je geweldig. Maar je kunt niet organiseren of vooruitdenken, en je houdt gewoon nooit je poot stijf zodat er gebeurt wat er moet gebeuren.’
Sam knikte licht. Het viel niet mee om dit te moeten aanhoren. Maar het was nog veel erger om te zien hoe de menigte instemmend knikte. Het was de waarheid. Het was waar dat hij de raad de leiding had laten nemen, een stap terug had gedaan, om vervolgens te zwelgen in zelfmedelijden. Hij had de kans om op avontuur te gaan met beide handen aangegrepen en hij was er niet geweest om de stad te redden toen ze hem nodig hadden.
‘Dus,’ besloot Albert, ‘ik hou mijn zaken hier, in Perdido Beach. Maar tussen Perdido Beach en het Meer zal vrij gehandeld mogen worden. En Lana moet overal heen kunnen gaan.’
Caine verstarde boos. Het zinde hem niet dat Albert voorwaarden stelde.
Albert was niet onder de indruk. ‘Ik geef deze kinderen te eten,’ zei hij tegen Caine. ‘En dat doe ik op mijn manier.’
Caine aarzelde en gaf toen een heel klein, stijf knikje.
‘Ik wil dat je het zegt,’ zei Albert met een blik op Toto.
Sam zag paniek in Caines ogen. Als hij nu loog was het over en uit met hem. Toto zou hem ontmaskeren, Albert zou zich bij Sam aansluiten en de kinderen zouden Alberts voorbeeld volgen.
Sam vroeg zich af of het Caine eindelijk begon te dagen wat Sam al een tijdje wist: als er iemand koning was, was het niet Sam of Caine, maar Albert.
Het duurde heel lang voor Caine antwoord gaf. Zijn glimlach verflauwde toen het besef tot hem doordrong. Hij kon alleen maar de waarheid zeggen. En dat betekende dat hij erin moest geloven.
Dat hij het moest accepteren.
Op een verslagen toon die in schril contrast stond met zijn hooghartige bravoure van daarvoor zei Caine: ‘Oké. Albert neemt alle beslissingen over geld, werk en handel tussen Perdido Beach en het Meer. En de Genezer gaat en staat waar ze wil.’
Sam moest zich inhouden om niet in lachen uit te barsten. Na alles wat er tussen hem en Caine was voorgevallen, na al het vertoon van Caine vandaag, was het niet de grote, charmante, knappe en o zo machtige Caine die de baas was over de fakz, en ook niet Sam. Het was een zwijgzaam, mager zwart joch dat geen andere gave had dan hard werken en doelgericht blijven.
Caines grote moment, zijn grootse, triomfantelijke terugkeer, was bezoedeld.
‘Goed,’ zei Sam. ‘Ik ga naar de supermarkt. Als je met mij mee wilt, kom dan daarheen. Ik wacht twee uur. Neem flessen water en al het eten dat je hebt mee. Het is een eind lopen naar het meer.’
Hij liep de trap af, sloeg zonder om te kijken de hoek om en liep naar de snelweg. Hij had het vreemde gevoel dat hij helemaal alleen liep.
Bij de snelweg bleef hij even staan. Brianna was er ook, natuurlijk. En Dekka, en Jack. Jack droeg Edilio als een baby in zijn armen – een erg uit de kluiten gewassen baby.
In totaal waren er nog veertig of vijftig anderen die zijn kant hadden gekozen en hun huis achterlieten om met hem mee te gaan.
Quinn kwam naar voren en Sam nam hem apart. Zijn oude vriend keek gekweld en bedroefd.
‘Wat is er aan de hand, gast?’ vroeg Sam.
Quinn kon niets uitbrengen. Hij werd verstikt door emoties. ‘Sam…’
‘Je wilt in de stad blijven.’
‘Mijn vissers… en al mijn boten en zo…’
Sam legde een hand op zijn schouder. ‘Quinn, ik ben blij dat je zo’n belangrijke taak gevonden hebt. Iets wat je echt heel graag doet.’
‘Ja, maar…’
Sam omhelsde hem kort. ‘We blijven toch vrienden, joh. Maar je hebt je verantwoordelijkheden.’
Quinn knikte lamlendig.
Sam speurde nog een keer de groep af, op zoek naar Astrid. Ze was er niet.
Het was niet ver naar de parkeerplaats van de supermarkt. Sam zakte tegen een geparkeerde auto in elkaar. Sommige kinderen kwamen naar hem toe om bemoedigende woorden of steunbetuigingen te uiten. Maar de meesten kwamen naar hem toe om dingen te zeggen als: ‘Heb jij echt Nutella?’ Of: ‘Mag ik op een boot wonen? Dat zou echt zo cool zijn.’
Ze kwamen voor de Nutella en de noedels, niet voor hem.
Hij was verdoofd. Alsof alles wat er gebeurde met iemand anders gebeurde. Hij zag zichzelf voor zich op het meer, in een woonboot. Dekka was er ook, en Brianna en Jack. Hij had zijn vrienden nog. Hij zou niet alleen zijn.
Maar hij bleef de hele tijd naar haar uitkijken.
Ze hoefde zich geen zorgen meer te maken om Kleine Pete. Ze konden samen zijn zonder al dat gedoe. Maar hij kende Astrid natuurlijk en hij wist dat ze op dit moment, waar ze ook was, vanbinnen werd verteerd door schuldgevoelens.
‘Ze komt niet, hè?’ vroeg Sam aan Dekka.
Maar Dekka gaf geen antwoord. Ze zat ergens anders met haar gedachten. Sam zag haar wegkijken toen Brianna lichtjes haar hand op Jacks schouder legde.
Er kwamen nog meer kinderen, in groepjes van drie of vier tegelijk. De Sirene kwam, samen met haar huisgenoten. John Terrafino kwam. Ellen. Hij wachtte. Hij zou de volle twee uur wachten. Niet voor haar, zei hij tegen zichzelf, maar gewoon om te doen wat hij had gezegd.
Toen Orc, met Howard.
Sam kreunde inwendig.
‘Dat meen je niet,’ zei Brianna.
‘De afspraak was dat iedereen zou kiezen,’ zei Sam. ‘Ik denk dat Howard zich net heeft gerealiseerd hoe gevaarlijk het leven kan zijn voor een crimineel die ergens woont waar de “koning” over leven en dood beslist.’
Tot Sams opluchting kwam Howard niet naar hem toe om met hem te praten. Hij ging samen met Orc achter in een pick-up zitten. De andere kinderen liepen met een grote boog om hen heen.
‘Het is tijd,’ zei Jack.
‘Wind, tel de kinderen,’ zei Sam.
Brianna was binnen twintig seconden terug. ‘Tweeëntachtig, baas.’
‘Een derde ongeveer,’ merkte Jack op. ‘Een derde van wat er nog over is.’
‘Wacht. Het worden er achtentachtig,’ zei Brianna. ‘En een hond.’
Lana, met een zwaar geïrriteerde blik – een vrij gebruikelijke uitdrukking voor haar –, en Sanjit, met een blije blik – een vrij gebruikelijke uitdrukking voor hem –, en Sanjits broertjes en zusjes kwamen op een drafje naar de parkeerplaats toe.
‘Ik weet niet of we bij dat meer blijven of niet,’ zei Lana plompverloren. ‘Ik wil het wel eens zien. En mijn kamer meurt als de hel.’
Net voor de twee uur voorbij waren, hoorde Sam geroezemoes. Kinderen maakten mompelend plaats voor iemand. Zijn hart maakte een sprongetje.
‘Hoi, Sam.’
Hij slikte het brok in zijn keel weg. ‘Diana?’
‘Je had me zeker niet verwacht, hè?’ Ze trok een zure grimas. ‘Waar is Blondie? Ik heb haar helemaal niet gezien bij het grote verkiezingsdebat.’
‘Ga jij met ons mee?’ vroeg Brianna, die daar duidelijk helemaal niet blij mee was.
‘Vindt Caine dit goed?’ vroeg Sam aan Diana. ‘Het is jouw keuze, maar ik moet weten of hij achter ons aan zal komen om je weer mee te nemen.’
‘Caine heeft wat hij wil,’ zei Diana.
‘Misschien moet ik Toto erbij roepen,’ zei Sam. De waarheidszegger was in gesprek met Spidey. ‘Ik kan aan je vragen of je meegaat om voor Caine te spioneren, en dan wil ik wel eens horen wat Toto zegt.’
Diana zuchtte. ‘Sam, ik heb wel grotere problemen aan mijn hoofd dan Caine. En jij ook, denk ik zo. Want er gaat iets gebeuren in de fakz wat nog nooit gebeurd is: er komt iemand bij.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Je wordt oom.’
Sam staarde haar wezenloos aan. Brianna zei iets heel grofs. En zelfs Dekka keek op.
‘Krijg je een baby?’ vroeg Dekka.
‘Laten we het hopen,’ zei Diana somber. ‘Laten we hopen dat het gewoon een baby is.’